dinsdag 23 oktober 2007

Thomas de Zwitser

Het idee was als volgt: doorrijden tot Salvador, en op zijn hoogst op enkele plaatsen langs de kust stoppen, omdat de doorgaande "kust"weg (BR 101) zo'n 80 kilometer uit de kust ligt. "Even" een kustplaatsje bekijken kost je dus 160 kilometer rijden. Dichter langs de kust gelegen wegen stranden namelijk altijd op een of andere manier op een riviermonding of lagune, zodat je uiteindelijk toch weer naar die BR 101 terug moet om door te kunnen.

Echter, omdat het havenstadje Ilhéus slechts 30 km van de BR 101 verwijderd was, besloten we ook dit aan te doen. Daarna wilden we door tot Cumumbu, en vervolgens de BR 101 verlaten om wel dichter langs de kust te rijden, de laatste 100 km tot Salvador. Via die route kom je uit aan de zuidkant van de mond van Baia Todos os Santos, de grootste baai van Brazilië. En aan de Noordkant van die mond ligt Salvador, (min of meer) onze eindbestemming.

De Todos os Santos baai heet zo omdat één van de eerste ontdekkingsreiziger deze baai voor het eerst invoer op Allerheiligen. Niet veel later werd de stad Salvador gesticht aan de monding, en deze stad zou ruim een eeuw de hoofdstad van Brazilië zijn. Om deze baai heen rijden zou minstens anderhalve dag kosten, maar gelukkig is er een veerdienst over de monding.
Vanaf Ilhéus zouden we ook voorzichtig alvast gaan kijken naar woonruimte, want het plan was om de laatste vijf maanden van ons verblijf in Brazilië ergens in de buurt van Salvador te gaan wonen - voor ons was dat dus ergens tussen Ilhéus (300 km ten Zuiden van Salvador) en Praia do Forte (zo'n 100 km ten Noorden).

Halverwege op de weg van Itabuna naar Ilhéus (de namen van de plaatsen hier zijn een vreemde mengeling van de oorspronkelijke indiaanse namen en afrikaanse en portugese namen) passeerden we alweer een heuse universiteit. Tientallen studenten en studentes stonden langs de weg ervoor en om een lift naar hetzij Ilhéus, hetzij Itabunda te bedelen. We passeerden drie meisjes, die giechelend hun hand uitstaken naar onze bus, maar toen ik me realiseerde dat ze aan het liften waren, was ik er alweer voorbij, en terugkeren was nogal lastig. Dus reden we maar door, want het leek ons niet moeilijk om daar een lift te krijgen. We kwamen langs redelijk tot goed onderhouden fazenda's en sobere huisjes. Aan onze rechterhand een mooie brede rivier waarin mensen aan het vissen en soms aan het zwemmen waren. Het maakte een vriendelijke indruk, en op een vreemde manier had ik het gevoel dat ik thuiskwam. In Ilhéus vonden we snel een goedkoop en redelijk vervallen, maar goed hotel (Sao Jorge), en togen vervolgens op weg naar de kathedraal op zoek naar een eetgelegenheid. Op een pleintje vlak bij de kathedraal was een lange, erg zwarte man bezig een trampoline op te zetten. Hij droeg een felrood T shirt met een wit kruis erop (zoals een zwitsers zakmes) en had een petje op met een tekst in het duits. Interessanter nog (voor Jitse) was dat er kinderen rondreden op twee electrische motorfietsjes, die deze man bleek te verhuren
Een aantal straatschoffies hielp hem met het bijhouden van de tijd, en het begeleiden van de kinderen op de fietsjes en op de trampoline, en het viel op hoe vriendelijk en rustig hij met de springers en deze kinderen omging.

Jitse en Ibrich mochten eerst samen met een hele troep kleinere kindjes op de trampoline. Een van deze kindjes, net zo groot als Ibrich sprong werkelijk de sterren van de hemel. Onvermoeibaar hipte hij op zijn korte beentjes over de trampoline, terwijl Jitse veel bijkijks trok terwijl hij als een dolle rondjes probeerde te rennen, en diverse keren bijna, of helemaal met zijn kop tegen een pilaar ramde. Ibrich zat het aan de kant allemaal met een brede schaterlach aan te kijken, en probeerde af en toe met op handen en voeten met de kont in de lucht te gaan staan om vervolgens weer door Jitse omver gelopen te worden. Nadat de kinderen 5 minuten 'gesprongen' hadden, mocht Jitse op een motorfiets, wat hij geweldig vond. Ibrich wilde natuurlijk de trampoline niet verlaten, maar toen ze door deze grote zwarte man eraf getild werd, leek ze dit toch te accepteren, en zich zeer thuis te voelen in zijn armen, en toen ik in het portugees zei dat ze de man een kusje moest geven deed ze dat ook, tot vertedering van de omstanders. Vervolgens mocht ze bij haar grote broer achterop, maar het leek ons toch veiliger voorop, met het gevolg dat Ibi het stuur overnam en het hele plein onveilig maakte, terwijl Jitse achterop zat en er niets meer over te zeggen had! Iets van haar overgrootoma aan wie door de hulpmiddelencommissie ooit een scootmobiel geweigerd werd omdat ze een groot gevaar voor haar medeweggebruikers zou zijn heeft Ibi wel.

Daarna verwijderden we de kinderen wreed maar beslist van de motorfietsen en gingen een hapje eten bij een van de weinige eetgelegenheden die op de maandagavond open was; Vesuvius. Een restaurant met een arabische kaart, en live muziek van een gitarist. Aan een van de tafeltjes zat een stenen beeld van de beroemde braziliaanse schrijver Jorge Amado die afkomstig was uit Ilhéus, en nog tijdens zijn leven ereburger van het plaatsje geworden was. Hij is in 2002 overleden.

Na het eten, wat enigszins verstoord werd door de aanwezigheid van een tweetal agressief bedelende en onder invloed verkerende junks (waarvan een een jongen van een jaar of 14 (!)) raakten we in gesprek met Thomas, zoals de trampoline-man bleek te heten. Hij vertelde dat hij drie jaar in Zwitserland had gewoond, maar uiteindelijk toch weer was teruggekeerd naar zijn wortels in Ilhéus. Het bleek een zeer aardige en intelligente man en op de een of andere manier klikte het meteen. Hij bood spontaan aan ons de volgende dag met zijn auto langs twee appartementen van vrienden van hem te rijden. Mogelijk hadden zij iets geschikts voor ons als we zouden besluiten Ilhéus als woonplaats te verkiezen. We spraken af de volgende ochtend om 9 uur op het pleintje, en wisselden telefoonnummers uit.

De volgende ochtend bevonden we ons om 9 uur op het pleintje, maar we vroegen voor de zekerheid de tijd toch nog maar even na. Mijn telefoon had zich namelijk de dag ervoor automatisch omgezet naar zomertijd. Volgens twee vriendelijke politieagenten was het inderdaad overal in Brazilie nu zomertijd, behalve in Bahia, waar ze er niet aan meededen! Het was dus nog acht uur. Aangezien het centrum van Ilhéus aan het strand ligt, besloten we dus nog een uurtje naar het strand te gaan. Daar vermaakten de kinderen zich opperbest in een diepe poel met warm water.

Rond 9 uur toog ik weer naar het pleintje, en zat daar een tijdje de mensen te observeren. Het viel me op dat een flink aantal mensen een of andere kwaal had. Een spastische jongen, een gezin met een meisje met een halfzijdige aangezichtsverlamming. Er bleek een medische kliniek op een halve straat afstand. Ook was er een jonge man met een lelijk ontstoken hand, die om geld voor medicatie bedelde, en daarmee ook succes had bij een goedhartige dame. Zelf had ik hem niets gegeven, omdat de enige manier om hem te helpen zou zijn om met hem naar de apotheek te gaan en hem daar ter plekke antibiotica te laten inslikken, en dit vijf dagen achtereen te herhalen. Bovendien was hij op een junkerige manier zeer persistent, wat mij deed afvragen of hij de wond niet zelf gemaakt had om daarmee gemakkelijker geld los te krijgen. (Later kreeg ik dit bevestigd door een van de helpertjes van Thomas; de jongen maakt deze wond zelf, en infecteert hem keer op keer om geld te verzamelen voor drugs).

Iets over negenen verscheen Thomas met bijna zwitserse precisie. Hij nam ons mee naar een klein appartementje in het centrum. De mensen die het runden, een zwitser en zijn braziliaanse vrouw, waren erg vriendelijk, de prijs was goed, en ook de overige bewoners van het complex leken aardig en betrouwbaar. Maar vervolgens nam hij ons mee naar een pousada (soort hotel) aan zee, enige km van het centrum. Dit hotel behoorde toe aan de moeder van Thomas ex vriendin uit Zwitserland.

Het plan was echter om nog verder te gaan kijken tot even voorbij Salvador. Dus te
gen het middaguur zaten we weer in onze bus verder op weg naar het Noorden, maar na een kilometer of 10 stopten we de bus, hebben we alles eens goed op een rijtje gezet, en maakten we rechtsomkeert.

De reis was over. We zijn thuis in Ilheus...

Adres volgt.

maandag 22 oktober 2007

Tranquilo

We zijn in een klein maar uiterst toeristisch stadje aan de kust beland, genaamd Trancoso. Het ligt een kilometer of 30 onder Porto Seguro, en dat laatste is een oord waar drommen Nederlandse toeristen rechtstreeks hun vlucht naar boeken.

Dat het heel toeristisch is, merken we hier enerzijds niet veel van, omdat het nu laagseizoen is. Hoogseizoen is hier in de zomer, dus de maanden december en januari, waarin echt álles volgeboekt schijnt te zijn. Trancoso wordt dan overspoeld door zo'n 250 nederlanders per week...Anderzijds merk je natuurlijk wel dat het heel toeristisch is, als er meer Pousada's dan auto's in een plaats zijn, en als elk derde huis een winkeltje is met artesenaria, een restaurant, of een atelier.

Er werden hele mooie meubels, kleding en artistieke dingen verkocht, maar de prijzen waren er ook naar. 15 euro voor een uit gras geweven tasje...

Desalniettemin is Trancoso een erg grappig plaatsje, omdat het enerzijds heel rijk is (bedelaars zijn er niet, althans, niet bedelaars uit armoede - bedelaars uit drankzucht zijn er wel), en omdat anderzijds volgens typisch Braziliaanse gewoonte die rijkdom zich absoluut niet vertaalt in fatsoenlijk onderhoud van bij voorbeeld wegen - het merendeel van de wegen is er gewoon onverhard, en de kuilen in de verharde wegen zijn soms zo verradelijk diep dat je er maar beter goed tussendoor kunt slalommen, omdat anders je auto het waarschijnlijk niet overleeft.

Dit heeft er echter waarschijnlijk ook toe geleid dat het hoogtepunt van het dorp - de quadrado - geheel onverhard en autovrij is. De quadrado is een langgerekt veld aan het eind van het dorp, met daaromheen pousada's, hotels, winkels, restaurants en ateliers. Het is ook breed - in het midden is een voetbalveld ingericht - hetgeen het heel wijds maakt, en aan het eind is een eenvoudig wit kerkje met een schitterend uitzicht over het een stuk lager gelegen strand.

In Trancoso verbleven we in de Posada do Mineiro, een vriendelijke man uit Minais Gerais die 10 jaar geleden zijn drukke leven als mede-eigenaar van een familiebar heeft omgeruild voor het rustigere leven in Trancoso. Hoewel rustig. 4 maanden per jaar was het natuurlijk loeihard werken, en om de hele pousada en tuin zelf op te bouwen was natuurlijk ook wel flink aanzwoegen geweest. Maar nu zag het er dan ook heel mooi uit. Een fijne tuin, met schaduwbrengende planten, een aantal huisjes met elk een hangmat ervoor, en her en der leuke artistieke details. Het stopwoordje van Mineiro was tranquilo (net als van meerdere Bahianen, maar ook in de pizzeria die ons door hem werd aangeraden werkte de staf zich in het zweet. Ik heb nog nooit een ober zo hard heen en weer zien rennen met dampende pizza's, sapjes en flesjes bier!

Op het mooie zandstrand van Trancoso, waar je via een lange houten plankier over de rio Verde naartoe wandelt vermaakten de kinderen zich uitstekend. Het was bijzonder te zien hoe Ibrich totaal geen angst had voor de golven. Keer op keer spoedde zij zich (met haar zwemvlindertjes om) in de golven, om zich schaterend omver te laten werpen. Dat ze af en toe een flinke slok zout water binnenkreeg nam ze voor lief. Jitse vermaakte zich ondertussen met het graven van steeds hoger gelegen kuilen waar de zee al snel bezit van nam, en later kwam er nog een meisje met hen spelen, dat net zo groot was als Ibrich, maar toch al drie jaar bleek te zijn.

Langs het strand wandelden verscheide verkopers van ijsjes, cocoskoeken, en ook was er een wagen getrokken door een wit paard, gevuld met verse ananas. Onder de staart van het paard was een prullenmand gebonden, om eventuele ongerechtigheden die het liet vallen meteen op te vangen. Jitse kreeg de smaak van het dingen kopen helemaal te pakken, en rende op een gegeven moment wel 200 meter achter een snel doorstappende vrouw met kokoskoeken op haar hoofd aan, om er eentje te gaan kopen....


adres Posada do Mineiro
Rua da Cuba 649
Trancoso
+55 (73) 36681737
www.pousadadomineiro.com

De gloriedagen van de generaal herleven

Trancoso, 22 okt

Gisteren 25 goede daden verricht, vanochtend bij het opstaan al 14. De goede daden in kwestie zijn "muggen doodslaan". Het stikt er hier van, en dat zal voor ons het komende half jaar alleen maar erger worden. Het is nog niet zo erg als op Curaçao, waar ik als een ware verzetsheld soms ochtenden van 175 dodelijke slachtoffers aan vijandelijke kant haalde. Maar daar had ik dan ook de beschikking over geavanceerde wapens, zoals het electronische anti-muggen-tennisracket en de bloemenspuit met zeepsop (zeer effectief - de vleugeltjes plakken aan elkaar en ze storten neer; maar dan nog wel doodtrappen, anders vliegen ze na een half uur weer rond. Enige nadeel van deze methode was wel dat de vloer soms een glijbaan werd van al dat zeepsop.).

Dat is de ellende van tropische gebieden, alhoewel het een schrale troost is dat het allemaal nog veel erger kan, juist in niet-tropische gebieden. Het schijnt dat de belangrijkste doodsoorzaak voor rendieren "bloedverlies door muggen" is. Een hel moet dat zijn voor die dieren, en zo'n dood lijkt me een ware marteldood.

zondag 21 oktober 2007

Bahia!

Al zijn we dan nog niet in Salvador, we hebben in iedergeval de deelstaat Bahia bereikt. Onze kilometerteller staat nu op 56900. Toen we de dag voor vertrek de olie van de bus lieten verversen in Porto Alegre, schreef de vriendelijke pompbediende een kaartje uit met de km stand (51888). We moesten niet vergeten na 5000 km de olie te verversen.

Bij het passeren van de grens van Minais Gerais met Bahia veranderde de mooie asfaltweg letterlijk op de afscheiding in een kuilige weg waar in het asfalt grote gaten zaten. Omdat het zand eronder felrood was, leken het wel grote schaafwonden.
Eventjes kregen we het benauwd, en dachten we dat het zo nog wel eens heel lang kon duren voor we de kust zouden bereiken, maar al snel werd de weg weer zo goed dat er hele stukken 80 of 90 km per uur kon worden gereden. Door ons althans, want de overige weggebruikers, inclusief vrachtwagens meenden op de bochtige weg toch minstens 130 km per uur te moeten kunnen halen. Alhoewel de weg een stuk opknapte, was het gedrag van andere automobilisten reden voor menige adrenalinestoot.

Het heuvelachtige landschap kreeg op een gegeven moment een bizar aanzicht doordat er plotseling enorme steile stenen bergen in oprezen. Zó steil dat er bijna niets op de hellingen groeit. Als ik ze zou moeten beschrijven zou ik ze vergelijken met grote stenen zwarte puddingen, zó uit de vorm.
De overige natuur was behoorlijk groen en weelderig. Veel bananen, palmen, bamboe en hoog gras. In verhouding met Minais Gerais zagen we weinig brandjes, en we passeerden veel rivieren.

Maar de bevolking is schrikbarend arm, behalve misschien op de grote Fazenda's die we ook passeerden. Ook passeerden we een aantal kampamenten van de MST (organisatie van landlozen, die af en toe een stuk land kraken van een grootgrondbezitter, en daar dan hun groente op gaan verbouwen. Tot de grootgrondbezitter met z'n privélegertje komt). De rode vlag fier wapperend aan een lange bamboestok. Maar hoe deze mensen, behalve aan voedsel aan water komen... Ook individueel hadden velen langs de weg hun hutje gebouwd van bamboe en leem; waarschijnlijk was de berm van de snelweg overal van de overheid. Bij heel veel van die hutjes stond een bordje : precisamos de alimentos. Ajudanos! (wij hebben voedsel nodig, help ons! En dan was er in de berm een afdakje gebouwd waar je iets achter kon laten. De auto's raasden er allemaal met grote snelheid voorbij. We zagen niemand stoppen en ook zelf stopten we niet, want op het benzinestation waar we dachten wel iets te kunnen krijgen om tenminste een van deze families mee te verblijden verkochten ze alleen ijsjes en blikjes coca cola.

Hoef ik nie...

Het is alweer een poosje geleden (was in Porto Alegre) dat we Ibi voor het eerst het woord “Ja” hoorde zeggen. Het klonk luid, duidelijk en volmondig. Desalnietemin meenden wij dat het wel een vergissing moest zijn, want het betrof het antwoord op de vraag of ze naar bed wilde.
We hebben haar dan ook nooit meer “ja” horen zeggen.

Inmiddels is haar repertoire aardig uitgebreid met 2 zinnetjes van wel drie woorden achter elkaar. “Hoef ik nie”, en "moet ik nie…"

Het is vandaag zondagochtend rond een uur of acht, alweer ergens in de derde week van oktober, en ik lig hier onder mijn klamboe in het plaatsje Trancoso, aan de kust, vlak onder Porto Seguro. Zometeen gaan we het strand verkennen! Eindelijk.

Het schijnt nog ongeveer 800 km naar Salvador te zijn. Nog best een flink stuk dus, maar het einde is in zicht.

vrijdag 19 oktober 2007

Hanneke en Jacolien

In het seminarie in Caraça ontmoetten wij twee nederlandse meiden, Hanneke en Jacolien waarmee we gezellig gebabbeld hebben. Jacolien was ook erg geinteresseerd in vogels, en kreeg van een natuurgids de naam van een boek over vogels in Brazilie. Het papiertje vonden wij echter later terug in onze bus.
Jacolien, als je dit leest het boek heet:

Todos as aves do Brasil
Autor Deodato Sousa.
Editora Dall
het is te koop in Livraria van Damme (!)
Rua Guatataras 505 in Belo Horizonte
telefoon 32739792

Rinke heeft dit boek in het Engels. Ook leuk voor andere vogelaars, alhoewel het boek volgens Rinke niet 100% accuraat is.

En toen was het anders...

Na de rust van het oude seminarie in het nationaal park Caraça waar we twee fijne dagen hebben doorgebracht,vertrokken we in de namiddag naar Ipatinga, in het oosten van de deelstaat Minais Gerais. Later dan verwacht, want ons plan om de timing van de bus een beetje te vertragen (omdat we bij iedere afdaling getracteerd werden op luide knallen (backfiring) vanwege het slechte octaan gehalte van de benzine hier) verzandde in het feit dat we helemaal geen vonk meer kregen. Twee buschauffeurs van een paar schoolklassen die het seminarie bezochten schoten ons te hulp, maar begonnen met zoveel enthousiasme, (en zonder duidelijke kennis van de volkswagenmotor) aan allerlei snoertjes en slangetjes te trekken dat ik het spaans benauwd kreeg voor een herhaling van onze nacht in Sao Jose dos Auscentes. Maar gelukkig kwam de redding in de vorm van een Sean Connery-achtige stoere vrachtwagenchauffeur (met baard) die binnen een paar minuten de oorzaak van het euvel triomfantelijk voor het verzamelde publiek van keukendames omhoog hield. Het snoertje naar de coil/bobina (woord in het nederlands ben ik even kwijt) was afgebroken.

Toen konden we dus weer verder tuffen. Maar op de een of andere ongrijpbare manier leken we een onzichtbare grens te zijn overgestoken. Alles leek op de een of andere manier anders. Nog steeds is het landschap het stoffige donkere rood met grote geblakerde stukken, en de voortdurende brandend hout lucht waar we al aan gewend waren geraakt. Maar de auto's op de weg, de huizen en gebouwen erlangs, de manier van rijden, de weg zelf, op de een of andere manier is het ánders. Er is moeilijk de vinger op te leggen, maar het is een combinatie van de soberder huizen, velen nog maar half afgebouwd en al vervallen zonder ooit maar een likje verf te hebben gekend. De zwarte rookwolken uitstokende vrachtwagens, en soberder auto's, die met ware doodsverachting je inhalen op een bochtige weg waar je maar 40 mag, en al 80 rijdt... De mensen langs de kant van de weg, 99% donker gekleurd. Iemand met een varken aan een touw. Twee keer een dood paard of ezel in de berm. De manier waarop mensen je welwillend maar met duidelijk andere omgangsvormen te woord staan. Vriendelijk, maar wel wat gereserveerd. En de uitspraak van het portugees. Moeilijk voor ons te verstaan, en nog moeilijker voor anderen om ons te begrijpen...

donderdag 18 oktober 2007

In het klooster wachtend op een wolf

Het is op dit moment 10 uur 's avonds en terwijl ik dit type zit ik op de trappen van de kerk te wachten op een wolf.

We zijn nu in Caraça, een kilometer of 100 Oostelijk van Belo Horizonte, nog steeds in Minas Gerais. Caraça is een klooster midden in een gelijknamig natuurpark. Elke avond worden er hier voor de kerktrappen de restjes van het vlees van de maaltijd neergezet, en dan komen er twee wolven om die, onder de blikken van de bezoekers, op te peuzelen. Gister hebben we ze al gezien, maar vandaag laten ze wat langer op zich wachten. Het gaat om de manenwolf, een zuid-Amerikaanse soort; zie ook hier.

We hebben vanmiddag een lange wandeling gemaakt (11 km, 5.5 heen en 5.5 terug) naar een afgelegen waterval in het park (nadat we vanochtend ook al 5 km gelopen hadden). Uiteindelijk kwamen we er pas om half vijf aan, maar de plek was dan ook werkelijk sprookjesachtig mooi. Helaas moesten we alweer snel terug, om voor het donker weer in het klooster te zijn. Wat aanstappen dus. Op de heenweg had Jitse regelmatig zitten klagen dat hij niet verder wilde lopen omdat hij te moe was, maar nu op de terugweg rende hij vrijwel het hele stuk als een bezeten kiviet, omdat ik de 'boef' was die gepakt moest worden, en hij de politieagent. Ook 's avonds nog rende hij als onvermoeibaar heen en weer door de eetzaal, terwijl Ingeborg en ik eigenlijk behoorlijk bekaf waren. Ik vroeg hem nog bij aankomst of hij ook moe was "Nee hoor!" riep hij met een hoog piepstemmetje, en zetten het onvermoeibaar op een drafje om Ibrich achterna te gaan rennen. Ongelooflijk wat een energie zo'n kind heeft, zolang hij tenminste maar wil.

Nog steeds geen wolf, en ik ben al behoorlijk moe, dus ik ga maar slapen. Morgen vertrekken we hier, en reizen we daadwerkelijk af naar Bahia. Maar eerst nog wat Guans en Orependola's fotograferen.

woensdag 17 oktober 2007

Watervallen en zwart goud


Nadat we vanuit Sao Joao vertrokken zijn, kwamen we in Ouro Preto terecht. Dit is een oud mijnwerkerstadje dat nog steeds behoorlijk in dezelfde aloude staat als ten tijde van de goudkoorts verkeert. Dat komt omdat het gebouwd is in een ruig en bergachtig gebied, waarbij het relief dusdanig is dat veel straatjes te nauw en te steil zijn om er een auto doorheen te kunnen jagen. Waar Tiradentes (nog zo'n soort stadje, bij Sao Joao in de buurt) ons wat tegen viel (te veel boutiques met toeristenrommel), was Ouro Preto wel heel mooi. Zie ook de foto's bijgevoegd.

Na een dag in Ouro Preto zijn we naar het nabij gelegen Lavras Novas geweest. Dat is dus eerst een kilometer of 15 hobbelen op onvervalste wasbordpistes, waarbij je op gegeven moment denkt dat je echt aan het einde van de wereld beland bent. Maar dan blijkt daar ineens toch weer een dorpje te liggen, en dat dorpje heet dus Lavras Novas. Er schijnen nog best veel toeristen te komen, met name in het hoogseizoen (rond de kerst), want het is er in de omgeving vergeven van de watervallen. Wij hebben er twee bezocht, en ze waren erg leuk. Zie ook foto's, en voor de archieven is er onderaan nog een routebeschrijving toegevoegd.

Bij de waterval dos Enamoradoros hebben we overnacht - wildgekampeerd dus, voor het eerst echt en onvervalst helemaal midden in de rimboe. Geen last gehad van boeven of enge beesten, hoewel er tegen het eind van de middag nog een man langs kwam met twee paarden, waarvan één een fikse bijtwond van een vampier had. Die zitten hier dus ook! Ibi mocht nog even op het paard zitten van deze vriendelijke man.

Niet alleen de adviezen om nooit wild te kamperen slaan we in de wind - ook nemen we regelmatig lifters mee. Eergister nog een meisje die heel enthousiast was dat ze door twee zulke exotische buitenlanders meegenomen werd, en die de kindjes natuurlijk ook nog geweldig vindt - zoals bijna alle Brazilianen dat vinden. Ze studeerde filosofie in Ouro Preto, en was al drie jaar aan het liften tussen deze plaats en zusterstad Mariana - er was nooit wat engs gebeurd. Als meisjes van net onder de twintig zonder problemen drie jaar kunnen liften, moet het voor ons dus ook veilig zijn om lifters mee te nemen. Hier in Minas Gerais is de sfeer sowieso heel gemoedelijk, ondanks alle waarschuwingen van mensen uit het Zuiden dat het boven Sao Paulo "niet deugt", of op z'n minst heel gevaarlijk is.

De enige wanklank is eigenlijk iets wat we al eerder beschreven: vuur. We zijn door hele afgebrande gebieden gekomen, en als je hier in Minas Gerais om je heen kijkt zie je eigenlijk altijd wel ergens een berg in de fik staan. Allemaal aangestoken, en niemand die er iets aan doet. Er rukt geen brandweer voor uit, en soms brand het dagen achtereen, en worden hele stukken natuur in de as gelegd. Diep triest.






Routebeschrijving 2 watervallen vanuit Lavras Novas.



Vanaf Ouro Preto de weg richting Ouro Branco. Na een kilometer of 8 is er een afslag naar Lavras Novas. Deze weg nemen, en helemaal uitrijden tot in Lavras Novas. Geen afslagen nemen links of rechts. Het lijkt alsof het tot niets leidt, en op een gegeven moment denk je echt van "dit gaat heel hoog, waar beland ik nu??", maar het komt uit in Lavras Novas.
In het dorp ook helemaal doorrijden tot de straat achterin waar de kerk midden op staat. In deze straat rechtsaf bij een bar met opschrift "Por do Sol". Als je bij de kerk zelf komt ben je te ver.
Deze weg gaat over in een pad dat eerst stijl naar beneden loopt, en dan weer omhoog. Bij de splitsing staat aangegeven: Enamorados is rechtsaf, Tres Pingo's is linksaf.

Enamorados: De weg uitrijden; op een gegeven moment wordt hij erg zandig, maar terugrijden met de kombi over dit deel is ons gelukt, dus je kan doorrijden. Je bent er dan bijna, het is dan nog dik 100 meter. Doorrijden tot aan het hek dwars over de weg, met opschrift "familiebezit, hek gaarne sluiten". Hier parkeren. Dit is op ongeveer een kilometer of 5 van het dorp. Voor het brugje naar beneden, aan de linkerkant van de weg. Na een tiental meters is er een splitsing in het pad: ga hier rechts. De waterval is niet ver, nauwelijks meer dan 50 meter. Je kunt de waterval helemaal naar beneden volgen.
Als je bij genoemde splitsing van het pad links gaat, dan kom je ook bij de grote rivier beneden uit, op een plek waar die erg woest en indrukwekkend is.
De waterval Enamorados is prima geschikt om te zwemmen; zelfs aan het eind van het droge seizoen is er nog een poel van twee meter diep.

Tres Pingo's: bij de splitsing in de weg dus naar links. Na een kilometer is er een dubbel spoor van grindtegels over een erg steil en oneffen stuk weg. Ga dit af, maar stop en parkeer op de verbreding aan het eind van dit traject. Aan de linkerkant van de weg staat een bordje bij een pad. De waterval is nauwelijks 100 meter lopen langs een steil pad. Er is een ondiep poeltje waarin drie watervallen naast elkaar vallen, en waar je onder kunt douchen, of achter kunt staan.

zaterdag 13 oktober 2007

Rokende Maria en de Tandentrekker

We hebben terug in Florianópolis al een reisboek gekocht, de veelgeroemde "Lonely Planet" gids. Zelf ben ik niet zo weg van deze gidsen, omdat ze heel erg stadsgericht zijn (ben ik zelf totaal niet), en omdat ik het doorgaans te veel gericht vind op alleen de "highlights". Bovendien kun je, als je in een toeristisch gebied zit, altijd precies zien welk pousada en welk restaurant in de lonely planet staat en welke niet: die waar de hordes buitenlanders zitten staat er in; diegene er naast die even goed is maar waar het uitgestorven is staat er niet in.

Als je dan toch zo'n gids hebt, moet je er natuurlijk wel eens goed in kijken. Dit hadden wij verzuimd, en zo kwam het dat we nietsvermoedend en stomtoevallig hier ineens in een toeristische "highlight" blijken te zitten die uitgebreid in onze "lonely planet" beschreven staat. Zelfs het hotel waar we na lang zoeken terecht gekomen waren, stond erin. En geen buitenlander te zien. Dit is de derde nacht die we in Sao Joao del Rei gaan doorbrengen.

Dat het aan de oude slavenweg ligt had ik al eerder verteld. Dat het vol staat met koloniale gebouwen ook. En dat er een lokaal feest was ook. Dit laatste is volgens de reisgids steevast het geval: het is hier vrijwel altijd feest, met zo'n 20 festivals per jaar. De sfeer is navenant: bruisend, levendig, en of het altijd feest is, en overal druk.

We zitten in Hotel Brasil, een goedkoop hotel midden in het centrum dat 109 jaar oud is, en al die tijd gerund door dezelfde familie. Nu is dat door broer en zus, beide ongetrouwd gebleven, en broer al zwaar in de tachtig. Dit heeft ook z'n weerslag op het hotel zelf: hopeloos achtergebleven, want geen zwembad, geen internet, geen airco, geen parkeergarage, en geen televisie. Met name dat laatste vinden wij een verademing. De kamers zijn licht en hoog, en het meubilair is grotendeels van dezelfde leeftijd als het hotel zelf.

Vandaag zijn we naar Tiradentes geweest, een zusterstadje 12 km verderop. Daar kun je met de bus heen, maar in het weekend gaat ook de "Maria Fumaça" (Rokende Maria), een oude stoomtrein helemaal in de stijl van 150 jaar geleden. Op het station kun je je laten fotograferen in de stijl van die tijd, waarvoor er een complete garderobe in een speciale wagon beschikbaar is.

Tiradentes zelf is genaamd naar een oude opstandeling uit die tijd, die behalve dichter ook nog kiezentrekker was. De arme man is door de Portugezen gevierendeeld en een collega opstandeling naar Mozambiek verbannen. Ook dit stadje staat vol met monumentale gebouwen, maar was ons wat al te toeristisch. De gevels van de mooie gebouwen zijn zó behangen met toeristische kitsch, dat je ze niet meer kunt zien.

vrijdag 12 oktober 2007

Boeven


Onze eerste confrontatie met Braziliaans "boeventuig" is een feit. Vrees niet, wij hebben het er levend afgebracht, al kunnen vele anderen dit niet navertellen. Het verhaal vanaf het begin dan maar:

We zouden dus naar Aguas Santas, hier net buiten Sao Joao del Rei, na een tip van een locale hippie dat daar wel leuke zwempoelen bij een riviertje midden in de rimboe waren. Het plan was om een nacht extra in het hotel te blijven, en dus de hele dag hier voor uit te trekken. Zo gezegd zo gedaan, en zo'n 10 km buiten het stadje vonden we inderdaad een Balneario. Volgens de beschrijving lieten we deze gewoon links liggen.
Een jongen van de lokale "motor-gangie" (de "super-legais") die we naar het pad vroegen waarschuwde ons dat het veel te steil en ook te gevaarlijk was, vanwege de overvallen. Aan het eind van de lange parkeerplaats vonden we een pad dat de berg op leidde. Daar troffen we twee mannen aan, waarvan de eerste ons opnieuw waarschuwde: "Veel te gevaarlijk, jullie kunnen dit niet op".
"Waarom dan?" wilde Ingeborg weten, en ik voegde er aan toe: "Overvallen, slangen??"
"Het pad is te moeilijk en te steil, en er vinden soms overvallen plaats".
"Maar gaan jullie er ook heen?"
De andere man knikte, en de eerste (met bromfietshelm, die blijkbaar ergens op zat te wachten, al was volstrekt onduidelijk waarop) gaf een vaag antwoord dat Ingeborg opvatte als een bevestiging.
"Maar waarom is het voor jullie dan niet gevaarlijk en voor ons wel?" ging Ingeborg door.
De man met de helm lachte: "Ja, jullie zijn anders, jullie zien er anders uit, jullie zijn buitenlanders. Dat trekt boeven aan. Voor jullie is het nog gevaarlijker".
"Hoe vaak zijn er de laatste vijf jaar mensen overvallen hier?" vroeg Ingeborg.
Ondertussen had de achterste man al wat zitten te gebaren naar Ingeborg dat het allemaal wel meeviel, en deze bood nu aan ons wel te willen begeleiden daar naar toe.

Aldus togen we op weg. De man bleek Luciano te heten, en hij was in de buurt opgegroeid. De laatste tien jaar ging hij elk weekend terug naar de serra. Hij vertelde dat zijn vrouw vroeger ook enthousiast meeging, maar zodra ze getrouwd waren was dat ineens afgelopen. Z'n vrouw had hem er ingeluisd, lachte hij. Dus nu ging hij doorgaans alleen op pad.

Een flink deel van de weg liep hij met de rugzak waar Ibrich in zat op, en een klein stukje heeft hij Jitse ook nog gedragen. Het pad was inderdaad af en toe erg steil, maar niet bijzonder pittig verder, hoewel het wel erg heet was. Het pad was onderdeel van de Estrada Real, de oude slavenweg om goud uit de mijnen naar Rio te vervoeren. Dit was te zien aan het feit dat het nogal breed was, en geplaveid met enorme keien en rotsblokken. De aanleg moet echt een onmenselijk werk geweest zijn.

Wat ook opviel onderweg waren de grote stukken natuur die zwartgeblakerd waren. Ik vroeg Luciano naar het waarom ervan, en hij zuchtte diep. "Homens", begon hij, en toen een verhaal dat Brazilianen erg onverantwoordelijk en "ignorant" zijn wat dit aan gaat, en dat bij velen het idee heerst dat zo'n vuur goed is voor de grond. Vijf jaar was er geen vuur geweest, en in één dag waren er grote stukken afgefikt. Gister op de weg hiernaartoe hadden we ook al meer dan eens aan de horizon een flinke brand gezien. Het nut zou zijn dat het gras dan beter groeit, zodat ze er vee op los kunnen laten.

Uiteindelijk kwamen we aan bij een riviertje dat behoorlijk droog stond, maar desalniettemin een aantal redelijke mooie en vrij diepe zwempoelen had (tot anderhalve meter diep). Luciano gaf het goede voorbeeld door in de eerste diepe poel te springen vanaf een hoog rotsblok. De rest volgde uiteraard.
Luciano liet ons nog een "muitu feo bicho" zien, een roofzuchtig dier. Het ging om libellelarven. Ook vertelde hij over de kikkers die hier zaten, en die hij alleen zag maar anderen nooit, maar waar ik er toevallig ook al één van gevonden had. Deze dieren drukken zich voor dood tegen een rotsblok aan, en aangezien ze precies de kleur van een met korstmos bedekte steen hebben, zijn ze dan bijna onzichtbaar.

Ook vertelde hij dat deze plek eerst een grote bende was met allemaal afval, en dat hij elke keer wanneer hij er kwam wat troep meegenomen had, totdat het schoon was. Ook nu deed hij dat nog steeds als hij rommel aantrof, want "lixo attraia lixo", afval trekt afval aan.

Na een tijdje ging Luciano weer terug, nadat we e-mail-adressen en telefoonnummers uitgewisseld hadden. Wij verkasten een stukje naar een wat meer stroomafwaarts gelegen bijna opgedroogde waterval met een mooie flink beschaduwde poel daarachter.


Toch bleek de plek aardig bekend, want we hebben er nog verscheidene mensen zien zwemmen en rondscharrelen. Tegen het einde van de dag aanvaardden we de terugtocht, maar we waren nog niet ver gekomen toen we vier figuren tegen kwamen. Achter hen was er een zojuist begonnen vuur aan het woeden. Verbijsterd staarden we er naar. Dit moest aangestoken zijn. Maar we konden niets doen - een minuut eerder ter plekke zijn had nog kunnen helpen, maar het vuur werd steeds groter, en de vlammen kwamen al tot meer dan twee meter hoog. Jitse was ook diep onder de indruk.

Op de terugweg keken we nog herhaaldelijk om, en zagen we de rookwolken nog immer omhoog kronkelen. Vanaf een hoger punt zagen we echter een nieuw fik, dat nog hoger oplaaide, verderop op de berg. Precies in de richting waarin de vier verdachte figuren waren vertrokken, en waar hun pad hen langs gevoerd moest hebben. In de bewoonde wereld aangekomen hebben we nog meteen de mensen van de balneario gewaarschuwd, en die zouden en de politie en de brandweer bellen, maar brandstichting in de natuur is hier zo frequent dat het waarschijnlijk niets uithaalt.
Verbijsterend is het wel: ga je daar een dagje zwemmen bij een riviertje, en na afloop steek je de boel gewoon in de hens. Tuig.

donderdag 11 oktober 2007

Koningsweg

Ons plan om het "circuito das aguas" te volgen, en daarbij allerlei thermale bronnen aan te doen is jammerlijk mislukt. Het verhaal gaat dat half kwakkelend Rio hier in bepaalde maanden alle thermale en minerale baden bezoekt om elkaar uitgebreid te informeren over elkaars kwalen, maar dat is dan zeker niet in deze tijd van het jaar, want de "Balneario's" waren allemaal gesloten.

Nou is het ook niet onze grootste hobby om tussen de stevig in het vet zittende op leeftijd zijnde heren en dames in een heetwaterzwembad te poedelen, maar we hadden nog enigszins de hoop dat daar waar er thermale bronnen zijn die gedegenereerd zijn tot kuuroord of zwembad, er ook nog wel een aantal natuurlijke bronnen zijn - en onze ervaringen daarmee zijn wel heel positief. Met name in het Oostelijk deel van de Verenigde Staten zijn er veel "Natural Hot Springs" die zomaar ergens in de rimboe liggen, en waar je dan komt via een kronkelpaadje vanaf een parkeerplaats langs de kant van de weg van nergens naar niets. Daar aangekomen zijn er dan verscheidene poelen waar warm of heet water vanuit de grond omhoog borrelt. Die poelen deel je dan met of helemaal niemand, of met een stel naakte hippies - of vrachtwagenchauffeurs die een pauze hielden.
Of bij voorbeeld Hierve El Agua in Mexico, waar prikwater hele kalksculpturen en poelen omrand met kalk heeft afgezet, en waar de plaatselijke indianen de deuren drie meter hoog gemaakt hebben omdat die Gringo's zo groot zijn.

Maar hier werkt dat dus blijkbaar anders, want we hebben helemaal niets van dien aard kunnen vinden. Wellicht dat elke warmwaterbron hier onmiddelijk uitgebuit en uitgebaat wordt door er een kuuroord omheen te bouwen; tenslotte levert zoiets meer op als het omgebouwd is tot zwembad, en bovendien zitten er dan geen vieze beestjes meer in. Ook kan het zijn dat de plekjes er wel zijn, maar dat de gemiddelde Braziliaan er gewoon niet van op de hoogte is, en wij er dus ook niet achter komen waar dat is.

Nu zitten we dan in de plaats Sao Joao del Rei, langs de "koningsweg", de oude mijnweg waarover de buit van de mijnen van mijnstadjes Ouro Preto en Diamantina vervoerd werd om het in Rio de Janeiro naar Portugal te verschepen. Dit betekent: veel monumentale koloniale gebouwen, en een centrum met grote kerken en nauwe straatjes - zo nauw dat we een paar keer bijna hopeloos klem kwamen te zitten met onze kombi-bus. Dat we midden in het oude mijngebied zitten blijkt ook wel uit de plaatsnamen die we onderweg tegenkomen: klinkende namen als "Eenzaamheid der mijnen" (Soledad das Minas), "Moeder van God van de Mijnen" (Madre de Deus das Minas) en "Rivier der doden" (Rio das Mortes) prikkelen de fantasie.

Morgen gaan we door naar Ouro Preto ("Zwart Goud"), de best bewaarde mijnwerkersstad en ooit de hoofdstad van Minas Gerais. Maar eerst nog een laatste poging mooie poelen te vinden (in Aguas Santas - "de heilige wateren") na een tip van een volbloed hippie die we hier gister op het locale stadsfeest tegen kwamen.

woensdag 10 oktober 2007

updates

Ik heb bij oudere berichten nog wat extra foto's geplaatst, en er is nog een ouder bericht wat er nog niet opstond achteraf geplaatst.

Bekijk dus vooral ook even de oudere berichten als je helemaal niets wilt missen.

geen bereik

Beter laat dan nooit hier de mededeling dat onze telefoons het vaker niet dan wel doen hier in de dunbevolkte gebieden, en ook omdat onze telefoonmaatschappij niet overal zit...

We kijken wel ongeveer elke 4 dagen even naar onze email, dus dat werkt het beste.

We zitten nu in Pousso Alegre. In een hotel. Vandaag gebaad in een ijskoude verzameling watervallen. Morgen door naar de warmwaterbronnen.

Alhoewel het hier lekker warm is, en droog (!). In Porto Alegre scheen het alweer te regenen....

En hier nog even wat fotootjes van onderweg...


dinsdag 9 oktober 2007

Liefdadigheid

Na gegeten te hebben in een soort van fast-food restaurant waar ze allerlei mini-pizza's serveerden, liepen we in Pouso Alegre terug naar ons hotel. Ik liep met Jitse aan de hand. Ineens ziet Jitse een man gewikkeld in een deken liggen, tegen de muur van de kerk aan.

Jitse: "huh, waarom ligt die meneer daar te slapen?"
Rinke: "Die meneer is moe, daarom is hij gaan slapen."
J: "Hè, maar waarom doet hij dat daar?"
R: "Die meneer heeft geen huis, dus daarom kan hij niet thuis gaan slapen. Daarom slaapt hij daar, op straat".

Jitse denkt even na. Dan:
J: "Hé, ik heb een goed idee, als ik die meneer al mijn geld geef, dan kan hij wat eten kopen, dat vind hij vast heel fijn"

Jitse heeft zelf een portemonnaie met wat muntgeld, omdat hij dat heel mooi vindt, en omdat hij dan alvast enig benul van geld krijgt, hoewel hij nog geen enkel idee van de hoeveelheden heeft. Ik zeg dat ik het een goed idee van hem vind, en dat ik het ook heel lief vind. Jitse loopt naar de man die in een deken gewikkeld ligt te slapen, alleen z'n hoofd komt er bovenuit, en hij ligt op z'n zij. Daar pakt hij z'n portemonnaie, haalt alle muntjes er uit (een stuk of 15), en gooit die over de man uit. De arme man schrikt helemaal wakker, en kijkt wat verbijsterd om zich heen. Omdat het geld alle kanten opvloog vanwege de onbesuisde uitvoering van Jitses goede daad, gaat Jitse snel de verst weggerolde muntjes bij elkaar zoeken, en geeft ze aan de man.
Dan zegt hij "Tsjau" en zwaait met z'n handje.

maandag 8 oktober 2007

leuke kindersite

www.poissonrouge.com is een gratis internetsite die ouders met kinderen, en ook anderen echt eens moeten bezoeken. Als wij in een internet cafe gaan mag jitse steevast hier even op. Het is een geweldige site in drie talen, frans, spaans en engels. Heel mooi van opzet. Bij elke taal zit een alfabet en als je op de letters klikt krijg je verschillende kleine dingetjes die je kunt doen,zoals bijvoorbeeld appels en sinaasappels in een persmachine slepen en er sap van persen, of bijen laten dansen. Ook zijn er nog bijzonder mooie kleurplaten te kleuren. Eigenlijk teveel om op te noemen. Kijk zelf en probeer vooral alle opties uit.

Jaú


Gisteravond kwamen we aan in de stad Jaú, en die bleek verrassend leuk en bruisend. Het ligt in het midden van de deelstaat São Paulo, en het heeft veel mooie 19e eeuwse gebouwen. Opvallend is ook dat er hier geen armoede meer lijkt te bestaan in Brazilië. Dat zal wel komen omdat São Paulo een van de belangrijkste economische centra in het land is. Veel winkels, veel nieuwe auto's, en nette, georganiseerde parkjes met veel levendige aktiviteit, ook 's avonds - zoals een fanfare-orkestje dat oefent in de muziekkoepel in het park, een man die ballonnen met helium verkoopt aan kinderen,die op hun driewielers rondcircelen etc etc.
En ook: geen bedelaars gezien, geen voddenrapers, afvalverzamelaars, en geen krottenwijken. We hadden er best nog wel even willen blijven, maar de reis is nog lang, dus maar weer in de bloedhete bus gestapt. Zodra we rijden is het door de wind prima te doen, maar het inpakken en instappen is een crime. Nu zijn we onderweg naar aquas termais, warmwaterbronnen. Sommigen schijnen zo heet te zijn dat je er in drie minuten een ei in kunt koken. Nou, volgens mij kan dat in onze bus ook, en dan zónder water.
We vertrokken trouwens laat omdat we nog een aantal zaken te regelen hadden in Jaú. Een wegenkaart kopen, dat was ons na Florianapolis niet meer gelukt, geld halen, de verzekering betalen, dat moet iedere maand, en uitzoeken of Rinke nu wel of niet zijn gele koorts vaccinatie had gehad, en waar hij deze eventueel nog zou kunnen krijgen. In de bank moest ik nog eerste hulp verlenen bij een man die in de rij in elkaar zeeg, met zijn hoofd tegen de muur sloeg, en met zijn ogen open (wegdraaiend naar rechts) bleef liggen. Het duurde ongeveer twee minuten, daarna kwam hij weer langzaam bij, maar was wel gedesorienteerd op een aantal punten. Ik verdacht hem van een TIA, een kleine hersenbloeding. Hij is afgevoerd in een ambulance.En een van de andere klanten ging met hem mee om op hem te passen.


Vlak bij de Posto de Attendimento Saude, kwamen we nog een leuke speeltuin tegen die we toch echt even van dichtbij moesten bekijken. De prullenbakken hadden deksels in de vorm van dierenhoofden, en er waren een aantal telefooncellen die versierd waren als toucan, ara en vis. Ook was er een heuse kabelbaan. Helaas werd Rinke eraf gesommeerd door een (overig vriendelijke) parkwachtster (de speeltoestellen waren namelijk alleen bedoeld voor kinderen) kinderen...), durfde Jitse niet, en was Ibi nog te klein... Maar het mooiste was toch wel het kraantje...


Uiteindelijk moesten we toch verder, en scheurden we met snelheden tussen de 60 en de 110 km over 's herens wegen, die alhoewel slechter dan voorheen nog altijd goed te doen waren. Onderweg bij Aguai pikte Rinke nog een lifter op. Nu zijn we daar wel tegen gewaarschuwd, maar ja, we zijn niet voor niks zelf lifters in hart en nieren. Het was Antonio, een vriendelijke aposentado (gepensioneerde man) van tegen de 70. Waarom hij daar stond te liften, en wat hij in Aguai was gaan doen is ons nooit duidelijk geworden. Hij was namelijk nogal hardhorend, en dat gecombineerd met het toch duidelijk verschillende accent dat de mensen hier spreken, en het gerammel en gebrom van onze VW bus maakte er de conversatie niet gemakkelijker op. Maar hij glimlachte af en toe vriendelijk.

In het dorpje Agua de Prata stond hij erop ons mee naar zijn huis te nemen en aan zijn vrouw voor te stellen. Ondertussen schoot hij snel naar de bakker om broodjes te halen. Zijn vrouw was bijzonder hartelijk, maar zei ze, ze ging hem wel op zijn kop geven dat hij weer was gaan liften. Ze had hem al zo vaak gezegd dat dat gevaarlijk kon zijn. Maar toch deed hij het vaak, omdat hij er niet van hield zo lang op de bus te wachten... Waar wij hem opgepikt hadden, was trouwens helemaal geen bus, dus daar was hij ook al liftend gekomen, concludeerde zij scherpzinnig.

Helaas maakten tijdens het bezoek Ibrich en Jitse door hun voortdurend gekibbel enige diepgaande conversatie onmogelijk, zodat wij na de broodjes besloten snel weer te vertrekken. Antonio stond erop om ons te vergezellen naar een benzine station, en vervolgens naar de geneeskrachtige radioactieve bron van Agua de Prata. Er was een speciale bak met kranen waaruit iedereen zijn water kwam tappen. Er was ook een bordje bij waarop stond dat het het meest radioactieve water van heel amerika was, goed voor diverse kwalen.

Het afscheid was bijzonder hartelijk. Antonio straalde helemaal. Echt een hele lieve man.

En nu zit ik dus,op een camping, even buiten Agua de Prata bij dit zachtjes gloeiende water (geen lampje meer nodig) dit stukje te schrijven, terwijl Rinke vogeltjes aankruist in zijn vogelboek.

zondag 7 oktober 2007

Thuiskomen

We zijn nu weer in Brasil, na drie dagen Argentina. Het gekke is dat we allebei een gevoel van "thuiskomen" hadden toen we dit land weer binnen reden, terwijl het toch op een plek was waar we nog nooit eerder geweest waren, in een deelstaat waar we ook alleen nog maar doorgereden waren.

Omdat we nu even flink wat kilometers willen maken, rijden we stevig door. Gister heel Paraná overgestoken, vandaag gaan we de hele deelstaat Sao Paulo dwars door (hopelijk). Het is trouwens vrij saai: uitgestrekte akkers vol met suikerriet in een licht heuvelig landschap.

Het volgende doel is het zuidelijk deel van Minas Gerais, waar we eerst naar een gebied met allemaal kuuroorden en warmwaterbronnen gaan, en vervolgens door de mijngebieden met verscheidene oude mijnstadjes. Minas Gerais grenst aan Bahia, dus het is de laatste deelstaat voor ons einddoel. Maar wel een enorme grote: het is minstens zo groot als Frankrijk. Gegeven het feit dat Bahia zelf ook al enorm is, betekent dat dat we zelfs nog niet op de helft zijn...

We hebben ook al een aantal keren in de bus geslapen. Nu al twee maal op een "vissers -camping", dat is een soort "camping" waar je tegen betaling vissen uit het water mag hijsen met je hengel. 's Nachts staat daar nauwelijks iemand, maar wij kunnen er prima overnachten. En gister stonden we in de stad Londrina (in het Noorden van Paraná) bij een benzinestation. De volgende ochtend bleek in de auto naast ons ook iemand erg opgevouwen te hebben geslapen, en de pompbedienden hielden een oogje in het zeil en schoven ons gratis douchemuntjes toe. Er naast stond een groot gebouw met toilet- en douchevoorzieningen voor truckers.

Omdat het sinds Argentina ook ronduit warm is, hebben we gister bij donker gereden. In Paraná gaat dat nog prima, boven Sao Paulo wordt dat afgeraden, omdat het schijnt dat criminele figuren gewoon een gat in het wegdek graven bij nacht om zo een hinderlaag op te zetten.

Vandaag zullen we Minas Gerais waarschijnlijk niet bereiken; morgen hoop ik wel.

zaterdag 6 oktober 2007

Iguaçu

Bij Iguaçu zijn we drie dagen zoet geweest. Eerst even de statistieken: De rivier de Iguaçu stroomt hier op de grens van Argentina en Brasil, en valt vanaf een grote hoogvlakte waar al het water zich verzameld heeft over een basaltrand de diepte in. Dit resulteert in een serie van 275 watervallen naast elkaar - officieel dan, want dit getal is sterk afhankelijk van de hoeveelheid regenval, en dus nogal arbitrair. Beter is het dus om de hele breedte van de watervallen te geven: 3 km breed, en 80 m hoog. Daarmee zijn ze breder en hoger dan Victoria en Niagara. Een Amerikaanse vrouw (van zeer imposante omvang) die we er tegen kwamen vond ze imposanter dan Niagara.

De Argentijnse en Braziliaanse kant zijn behoorlijk verschillend. Vanuit Argentinië zit je er meer bovenop en tussenin, want het grootste deel van de watervallen ligt op Argentijns grondgebied. Vanuit Brazilië heb je een veel beter en indrukwekkender totaaloverzicht, en kun je ook recht in de "duivelskeel" kijken, een stuk rivier waar het meer dan 300 graden rondom een en al waterval is wat zich naar beneden stort.

Misschien toeval, maar mijn ervaring is dat de Argentijnse zijde een stuk beter is voor het zien van allerlei dieren. Veel grote leguanen gezien (zo'n 75 cm), hoewel kleiner (en van een andere soort) dan die op Curaçao. Verder de Cuati's waar ik al eerder over schreef, wasbeerachtige dieren met een lange geringde staart en een lange snuit, die vuilnisbakken, terrassen en andere vunzige plaatsen afstropen, en niet bereid zijn om ook maar één milimeter uit hun weg te gaan als er een groep toeristen toevallig dezelfde weg langs wil.
Verder natuurlijk vogels: het klapstuk voor mij was wel twee stellen bekvechtende toko-toucans - het prototype van de toucan zeg maar, bijna meer snavel dan vogel. Het aparte is dan weer dat ik blijkbaar de enige ben die die vogels ziet, terwijl er allerlei mensen op datzelfde moment langs datzelfde pad lopen, maar helemaal niets opmerken.
Ook een bijzondere evaring is de volgende: ik stond over een balustrade geleund in een van de grotere watervallen te staren. Deze uitkijkplek was gesitueerd vlak naast de bovenloop van de rivier, zodat je daar staat op minder dan een meter afstand van de plek waar het water over een breedte van 20 meter die diepte in stort. Ineens zie ik een gierzwaluw mijn blikveld invliegen, en IN de waterval duiken, net een halve meter onder de bovenste rand. Weg gierzwaluw. Het gaat hier om een speciaal soort gierzwaluw (great dusky swift), waarvan er honderden rondcirkelen rond de watervallen. Ze broeden rondom, naast en ACHTER de watervallen. Omdat de rotswand waar zo'n waterval naar beneden tuimelt vrij scherp begrensd is en het water een behoorlijke snelheid heeft, zit er achter de meeste watervallen genoeg droge rotswand om je nest tegen aan te plakken als gierzwaluw.
Even later zag ik een gierzwaluw de waterval weer uitschieten, een paar meter naar beneden meegesleurd worden door de kracht van het vallende water, maar vervolgens weer vrolijk verder vliegend. Over spectaculaire nestplaatsen gesproken!!!

donderdag 4 oktober 2007

Argentina

De grens over was even wat lastig, maar duurde niet uitzonderlijk lang, en toen zaten we dus ineens in Argentinië. Was dit nou anders? Ja en nee. Het eerste wat opviel is dat het toch wel veel armoediger was. In Zuid Brazilië zagen we toch wel eens een oude auto rijden, maar het merendeel van de auto´s zag er toch behoorlijk nieuw uit. Hier niet, hier ziet het merendeel er nogal vervallen uit, en dat gaat af en toe zo ver dat de boel letterlijk met ijzerdraadjes bij elkaar hangt. Het bizarre is dat je dan een auto ziet rijden waar alle remlichten en andere onderdelen in de loop van het harde bestaan er allang afgedonderd zijn, en dat zoiets dan zonder problemen langs een politiepost komt. Blijkbaar is verkeerspolitie en papieren-controleer-politie blijkbaar iets heel anders, en vermijden ze elkaars vaarwater zeer strikt.

Ook de mensen zien er hier op een of andere manier toch echt anders uit, maar waar ´m dat in zit is moeilijk te zeggen. Het zijn niet alleen de breed gerande hoeden die hier veel gedragen worden, ook de koppen onder die hoeden zijn echt verschillend.

Een voordeel is trouwens dat alles hier goedkoper voor ons is. Sinds de peso-crisis van een paar jaar terug, toen de hele argentijnse economie in een klap instortte (en een groot deel van het land ineens overging op Trueque, de locale vorm van LETs, als alternatief geld), is die peso nog niet veel waard. Bovendien is hij (in tegenstelling tot de braziliaanse reaal) gekoppeld aan de dollar, en aangezien die dollar erg laag staat, is alles hier voor ons dus ineens veel goedkoper.

We zitten nu in een soort van jeugdherberg/hotel, wat voor ons een bizarre ervaring is, want ineens zitten we midden tussen de backpackers van Australische, Finse, Zweedse, duitse, Ierse, etc. origine, terwijl we de afgelopen zes maanden in de wijde omtrek nooit een toerist gezien hebben. Maar Iguazu is dan ook een mega-toeristische attractie.

Bij die watervallen is het dan ook erg druk af en toe, hoewel het rare dan weer is dat je sommige paadjes niemand op ziet, omdat men liever met honderden tegelijk op een treintje gaat zitten. Dat treintje zat op een gegeven moment zo vol, dat we een half uur moesten wachten op de volgende. Ingeborg vroeg toen of zijn met de baby er nog bij in mocht, en dat mocht, als laatste. Ik zou met Jitse in onze "race kar" de 2 en een halve kilometer gaan lopen. En wat bleek: Jitse en ik hebben gewonnen! Het scheelde een haar, maar ik was toch echt een halve minuut eerder binnen dan dat treintje, tot groot vermaak van het treinpersoneel en een deel van de inzittenden.

Dat het heel toeristisch is heeft ook z´n voordelen: de dieren zijn ontzettend tam, zo gewend als ze zijn aan drommen mensen. Coati´s, een soort wasbeerachtige beesten met een lange snuit en een lange staart, eten zowat uit je hand, en schuimen de terrasjes af op zoek naar hapjes. Exotische vogels blijven doodleuk tot op twee meter afstand zitten. En pal naast het pad naar het restaurant zat een Quero qeuro, de locale kievit, zich aan te stellen bij een nest met twee kievitseieren. Ik heb foto´s van het beest gemaakt, maar op een gegeven moment had ik met mijn telelens alleen de kop nog in beeld.

Volgende keer meer...

Argentina

Heel korte update, enkel om te vertellen waar we zitten (want internettijd is nu erg beperkt). We zitten nu twee dagen in Argentinë, en zijn net een dag bij Iguazu geweest. we zitten bij het drielandenpunt van Argentinië, Brazilië en Paraguay. We gaan mogen nog een dag aan de Argentijnse kant van Iguazu kijken, en dan nog een dag de Braziliaanse kant. Dan naar het Noord Oosten.

maandag 1 oktober 2007

Jeuk!

Na de eerste nacht in het minimuseum van dona Iraci had ik een paar vreemde jeukende bultjes in een lijn van sleutelbeen richting oksel. Ik vroeg me af van wat voor beestje dat kon zijn, want muggen prikken niet zo in een rechte lijn.. Dona Iraci vertelde toen dat er af en toe wel eens een vlo rondsprong. Toen we echter twee dagen later vertrokken hadden Jitse en ik elk ineens ieder wel 100 bulten. Ik denk dat een van de dekbedden die we van haar mochten lenen vol zat met hongerige vlooien! Ibrich die in haar eigen tentje sliep was gespaard gebleven, en ook Rinke, met mij als lokhaas aan zijn zijde had er niets van gemerkt…

Dat we vlooien hadden, was eerst helemaal niet tot ons doorgedrongen, maar de jeuk werd steeds erger, en er kwamen steeds meer bultjes bij.
Het vervelende was, dat we ook onze eigen dekbedden op de bedden gebruikt hadden.. En dus zaten de beesten nu ook in onze kleding en beddengoed. En dat hebben we geweten ook. Vier dagen hebben met name ik en Jitse niet kunnen slapen van de jeuk. Voor ons als ouders ook verschrikkelijk om Jitse midden in de nacht te horen uitroepen van pijn en frustratie en zichzelf tot bloedens toe te krabben. Zelf werd ik ook humeurig van de jeuk. Gelukkig hadden opa en oma voor ons drie tubes azaron meegenomen, Daarmee konden we hem iedere keer weer voor een paar minuutjes kalmeren.

In de jeugdherberg bij Foz de Iguazu was gelukkig een wasserette, maar helaas had ik de piamabroek van Jitse bij het inpakken snel even in het tentje van Ibrich gedaan.

Vanmorgen zat ook Ibrich onder de karakteristieke bultjes op buik, rug, en rond de oksels.

Dat word dus nog alles een keer wassen.

Wordt hopelijk niet vervolgd..

updates

Zoals jullie wel gemerkt zullen hebben, kunnen we niet altijd bij het internet. Daarom zal er eens in de zoveel tijd een hele trits nieuwe berichten in een keer bijkomen, zoals nu.

Telefonisch zijn we ook slecht bereikbaar, waar we nu zitten is b.v. geen bereik. We zullen ons best doen om in elk geval de mobiels 's ochtends tussen 8 en 10 aan te hebben.

Het schiet niet op, maar leuk is het wel

Zoals Ingeborg al schreef, was het hier zo mooi, dat we maar een dag gebleven zijn. We gaan dan ook zeker niet meer bij de Pantanal langs (te ver, Foz do Iguacu is al een heel eind), en ook Rio de Janeiro gaan we overslaan. Daar hadden we nog wat twijfels over omdat het toch heel mooi gesitueerd schijnt te zijn, maar na een artikel in een blad wat hier in huis lag over het geweld daar, met een uiterst misselijk makend incident met een jongetje van 6 dat vele kilometers uit de auto hangend maar nog aan de gordel vastzittend meegesleurd werd nadat de auto van z'n ouders door twee stuks tuig gekaapt werd, hebben we geen zin meer in Rio. En het was toch uit de route, dus dat is dan weer mooi.
Ondertussen vandaag veel kinderen en paarden om ons heen, in een omgeving van heuvels, meertjes, araucaria- en dennewouden, en een erf dat half boerderij, half speeltuin is. En veel leuke vogeltjes gezien, zoals een specht die ik nog niet eerder gezien had (White Spotted Woodpecker), een fluitreiger, en een paartje Wattled Jacana, een grappig beestje dat meer poot dan vogel is, maar dat daardoor wel heel handig is in het lopen over de drijvende bladeren van waterplanten. Vlak voor die Jacana zwom, alsof het niks was, een doodordinaire waterhoen, dezelfde soort die je in de meest stinkende Amsterdamse gracht aan kunt treffen. (Maar daar alle vogels mijn vriendjes zijn, is die waterhoen mij even lief als die Jacana). Was ik al blij met de prachtige kleurtjes van Bertoli's Antbird die ik vervolgens zag, dit was nog niks vergeleken met de Surucua Trogon die ik later op de dag zag. Trogon's zijn verwant aan de beroemde Quetzal, en doorgaans net zo knallend van kleur. Deze was warm oranjerood van onder (zoiets als de europese IJsvogel, maar iets roder), diep donkerblauwe kop, en een blauwgroene rug, met een witte staart. Kortom, een typisch geval waarbij de evolutie blijkbaar even heeft zitten uit te proberen hoe je een vogel zo kleurig mogelijk kan maken zonder dat het echt een grote bonte brij wordt.